Werkhouding

 

Focussen

Leren vindt plaats als er een focus is op datgene wat geleerd of gedaan moet worden. Met focus bedoelen we dat lichaam en geest ‘alert’ moeten zijn opdat (nieuwe) informatie opgepikt, onthouden en verwerkt kan worden. Kinderen die werkhoudingsproblemen hebben, hebben moeite zich te focussen. Veel informatie komt op hen af  en het wordt ‘ergens’ wel of niet opgeslagen. Soms lijkt het of deze kinderen helemaal niet aanwezig zijn en juist wegdromen. Andere kinderen hebben juist een innerlijke, verbale en/of motorische onrust. 

Binnen de werkhoudingsproblematiek zijn verschillende begrippen te onderscheiden die met elkaar samenhangen. Zo is de werkhouding van kinderen afhankelijk van de taakgerichtheid; in hoeverre kan een kind zich volledig op één en dezelfde taak richten of gericht houden. Gaat het kind bijvoorbeeld gelijk aan het werk of is het met andere dingen bezig?

Om taakgericht te kunnen werken is een goede concentratie nodig. Gedurende langere tijd moet een kind zijn aandacht kunnen richten op een taak. Hierbij laat het zich niet afleiden door irrelevante prikkels van binnenuit, bijvoorbeeld door bepaalde gedachten of gevoelens of buitenaf.  Concentratie is taakafhankelijk. Voor sommige taken heb je een topconcentratie nodig omdat iets lastig of moeilijk is. Voor andere taken een ‘gewone’ concentratie.  

Of zo’n topconcentratie geleverd wordt is afhankelijk van meerderde factoren:

  • het bewust kunnen buitensluiten van ‘prikkels’  die via de zintuigen binnen komen. 
  • de motivatie
  • het denken over de taak
  • het zelfvertrouwen

Het leveren van een topconcentratie kan relatief kort worden opgebracht. Over het algemeen geldt hoe ouder een kind wordt des te langer kan het met iets bezig kan blijven. Dit geldt zowel voor het spelen en werken/leren. Zo kunnen kleuters gemiddeld 10 minuten met iets bezig zijn. Kinderen van groep 8 kunnen gemiddeld 45 minuten achteréén geconcentreerd werken.

 

Motivatie

Motivatie kan omschreven worden als zin hebben in, belangstelling hebben voor en de wilskracht hebben om je voor iets in te zetten. Er kan hierbij onderscheid gemaakt worden in intrensieke motivatie en extrensieke motivatie. Bij de eerste vorm is de taak zelf de drijfveer. Het is gewoon leuk, boeiend en interssant om hieraan te werken. Bij extrinsieke motivatie zijn factoren buiten de taak,  de omgeving,  de drijfveer. Het kind krijgt bijvoorbeeld aandacht/een beloning of straf. Zo vindt ‘Gijs’ rekenen niet leuk maar maakt toch zijn sommen anders kan hij niet zijn favourite computerspel doen. Het is duidelijk dat de vorm van intrinsieke motivatie het beste bijdraagt aan de taakgerichtheid van een kind.  

In dit verband wordt in de literatuur (P. Dawson en R. Guare, 2010) ook over executieve functies gesproken. Deze functies hebben betrekking op het denken en doen. Te denken valt daarbij aan het kunnen organiseren van de dingen, het plannen, time-management en meta-cognitie (= het met een afstand kunnen bezien waar het mee bezig is).  Functies die betrekking hebben op het doen  zijn: volgehouden aandacht, doelgericht gedrag, het kunnen reguleren van emoties etc. Het kind groeit gedurende zijn ontwikkeling in deze functies. Door te ontdekken welke functies goed en minder ontwikkelt zijn kunnen concrete doelstellingen opgesteld worden waarbij deze functies versterkt worden.

 

Denken over jezelf en de taak

Tot slot het zelfvertrouwen is natuurlijk ook een belangrijke factor die meespeelt in de werkhouding van het kind.  Heeft het kind vertrouwen en een reëel beeld over zichzelf.  Weet het waar het goed en minder goed in is en kan daarmee omgaan. Als een kind hoge verwachtingen van zichzelf heeft en vertrouwen heeft in een goed resultaat dan helpt dit om een goed taak te volbrengen. Als een kind denkt het toch niet te kunnen en lage verwachtingen vanzichzelf heeft dan krijgt de emotie, angst of verdriet, vaak de bovenhand waardoor de kans op het goed volbrengen van een taak minder wordt. Hierdoor kan het kind in een negatieve spiraal komen van herhaald falen, waaroor dit uiteindelijk kan leiden tot een geringere inzet om aan een taak te beginnen.     

 

Leren leren en werken

Bij praktijk PIO gaan we op zoek naar datgene dat in de weg zit om tot een goede werkhouding te komen en wordt samen gezocht naar oplossingen hier mee om te gaan. Bij PIO achterhalen we bijvoorbeeld welke executieve vaardigheden goed en minder goed zijn ontwikkeld. Uitgaande van de goed ontwikkelde vaardigheden werken we aan de vaardigheden die getraind kunnen worden. Of we kijken op welke manier het kind het beste leert; is het meer visueel of verbaal ingesteld?

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *